De Hersenoorlog – Proloog

Vrijdagmiddag liep ik verdwaald door de stad, had mijn boodschappen gedaan en was toe aan een moment van rust. Rust die ik nu in mijn leven eindelijk had gevonden. De afgelopen 20 jaar waren vermoeiend geweest. Ik wist er niet uit te ontsnappen. Ik werd geleefd door de tijd en de mensen om mij heen.


Zonder oog te hebben voor de rest van de wereld, leefde ik met al mijn on-line identiteiten. Wereldwijd had ik door mijn drukke baan vele contacten opgedaan. Het media landschap, waar ik deel van uitmaakte als internationaal journalist, zou met de komst van social media, begin 2006, definitief een ander karakter krijgen.

Dat de mens daardoor uiteindelijk meer en meer in een social isolement zou geraken, kon niemand vermoeden in de jaren dat social media zijn intrede deed. Het begon allemaal zo leuk. Een beetje SMS’en, beetje e-mail en toen chatten, Hyves, LinkedIn, FaceBook en alles wat daarna volgde met Google voorop en Microsoft ver achter zich latende.

Ik loop een kleine kroeg in en ben blij met het feit dat ik weer leef, me ontdaan van al mijn on-line identiteiten, het zelfs voor elkaar gekregen me volledig te ont-googlen, maar niet zonder een ernstige medische ingreep en een langdurig proces bij een psycholoog in Moskou.

Google is al die jaren meedogenloos geweest en zag geen enkel gevaar in het opeenstapelen van uitspraken van echte mensen en deze ook ingrijpend te beïnvloeden. Door alle dwarsverbanden werd de context van de uitspraken meer dan eens in een ander daglicht geplaatst dan je eigen bedoelingen. Tegenwoordig maak ik me sterk voor al die slachtoffers die zich als gevangenen voelen binnen hun on-line identiteit.

Competente mensen die een baan zochten werden op basis van hun virtuele identiteit afgewezen. De wereld is in de afgelopen decennia onbedoeld harder geworden, de term social is volledig gedevalueerd. Ik ben er klaar mee. Ik heb zelfs geen mobieltje meer en ben blij met mijn leven. Nee, ik ben niet eenzaam. Ik woon in een klein huisje aan een rustig riviertje in Zuid Spanje. Nu, weer even terug in Nederland, genietend van de Amsterdamse grachten, stap ik zomaar een willekeurige kroeg binnen.

Ik bestel – het was een uur of vijf in de middag – een glas droge witte wijn en zoek een plekje bij het raam, waar zo een oud tafeltje staat met zo een enorm oud geknoopt maar volledig versleten rood tafelkleed, waar menig glas bier overhen gevallen zal zijn. Maar de sfeer is goed en veelal oudere mensen genieten van het begin van de avond.

Na enige tijd werd mijn aandacht getrokken door een niet onknappe man van achter in de dertig, die aan de bar een biertje zat te drinken. Ik was al jaren geleden gescheiden. Door mijn virtuele leven konden mijn man en ik het niet meer met elkaar vinden. Hij was een bekend advocaat in Barcelona en ik reisde de wereld af op zoek naar relevant nieuws. Onze contacten waren veelal virtueel, webcams, e-mails, tweets, noem maar op. Uiteindelijk strandde ons huwelijk, we herkenden en kenden elkaar nog amper. Mijn virtuele leven had ons echte leven verwoesd. Ik was niet de enige.

Ik staarde naar buiten op deze mooie lentedag in mei. Ik logeerde bij een vriendin in Den Haag, we zouden later die avond met elkaar gaan eten en dan samen met de trein terugreizen naar Den Haag.

Ineens werd ik aangesproken door de man die aan de bar een biertje zat te drinken. Een beetje verschrikt reageerde ik op zijn beleefde ‘Goedemiddag, mag ik u aan drankje aanbieden?’ Ik wist niet meteen goed te reageren en er viel eigenlijk een onbedoelde stilte die een beetje onbeleefd overkwam. Door al mijn ervaring in het virtuele leven had ik me vervreemd van de normale mens. Een mens met een gezicht, een stem, lichaamstaal en gevoel. Een beetje ongelukkig zei ik: ‘Mijn vriendin komt zo en dan vertrekken we’, wetende dat dat nog wel even zou duren.

De niet onaantrekkelijk man zei: ‘Sorry dat ik deze vraag aan u stelde, maar ik dacht dat u misschien wel wat gezelschap kon gebruiken. Maar een prettige avond verder.’ Ik bedankte de man en dacht vervolgens nog lang na over zijn mening dat ik wel wat gezelschap zou kunnen gebruiken. Al jaren keek ik niet meer naar mensen als liefdevolle wezens die zonder enig belang gewoon vriendelijk wilden zijn. Was deze man dat gewoon? Oof waren er bijbedoelingen? Ik schudde het idee van me af dat een man meer belangstelling voor me zou hebben dan puur uit verveling een drankje te drinken.

De man zat al weer achter de bar en kletste met wat mensen toen mijn vriendin binnenkwam. We omshelsden elkaar vriendelijk en wisselden de belevenissen van de dag uit. Mijn vriendin had me de afgelopen jaren altijd geholpen en mijn door mijn moeilijke tijden van virtuele identiteit heen geholpen. Er waren zelfs momenten waarop ik zelfs haar niet meer herkende. Maar door haar doortastende optreden zag ik dat haar kant van het leven uiteindelijk datgene was waar ik gewoon zo enorm naar verlangde, maar het maar niet kon krijgen. En nu ik het na veel pijn en moeite wel heb, kan ik alleen haar daarvoor eeuwig dankbaar blijven.

Net op het moment dat we afgerekend hadden en de kroeg wilden uitlopen, kwam die man op mij af en gaf me zijn visitekaartje. Ik wilde het eigenlijk niet aanpakken, maar hij zei: ‘Sorry dat ik eigenlijk aandrong om zomaar samen een drankje te drinken, ik had geen verkeerde bedoelingen, mocht je dat soms denken. Als je nog eens in de stad bent, zou je me kunnen bellen, misschien kunnen we dat drankje dan toch nog eens nemen’. Weer stuntelig, het kaartje aanpakkend: ‘Nou, ik denk het niet, maar wie weet, dank voor je kaartje.’ De man knikte en we liepen de kroeg uit.

Maanden later had ik het kaartje in mijn hand toen ik weer ik Amsterdam was. Het was achtergebleven in een tas die ik alleen op reis gebruik. Ik moest lachen, voelde me weer stukken beter en dacht: ‘Ach waarom niet’ en belde de man.

De verstrekkende gevolgen van dat telefoontje kon ik op dat moment niet overzien.

Comments are closed.