Ik zat in het laatste jaar van mijn studie journalistiek. Het was eigenlijk een beetje saaie studie. Midden jaren negentig was het web nog maar net in ontwikkeling en er werd nauwelijks aandacht aan geschonken. Journalistiek ging over kranten, radio en televisie. Dat waren zenders. De gemiddelde journalist had geleerd om verhalen te maken en die middels massacommunicatie kanalen naar de mensheid te zenden.
Nee, er was geen sprake van dialoog. De stukje ‘schrijvende lezers’ in kranten waren speeltjes van de redactie, die alle vrijheid hadden woorden van schrijvers een beetje te verdraaien, teksten in te korten, alvorens deze op een ongelukkige plaats in de krant te plaatsen. Het publiek was naïef, dacht er niet over na. Slechts een enkeling durfde het aan kritiek te leveren op de visie van een journalist.
Ik was cum laude geslaagd en samen met mijn mede studenten vierden we uitgebreid feest in het centrum van Utrecht en fantaseerden over al die mooie banen in de media markt. We kenden elkaar goed en zouden elkaar op de hoogte houden.
Mijn zoektocht duurde niet zo heel erg lang. Ik kon zo aan de slag bij NRC Handelsblad op de afdeling ‘internationale economie’. Dat kwam omdat ik naast mijn studie journalistiek ook een extra vak bedrijfs-economie deed en daar ook met goed resultaat voor slaagde. Maar op internationala gebied was ik zo groen als gras. Met mijn ouders en later met wat vrienden en vriendinnen reisden we hooguit wat rond in Europa. Verder was ik nooit gekomen. Ik kon niet vermoeden dat het woord internationaal binnen mijn titel ‘internationaal economisch journalist’ mij de hele wereld zou lieten zien. Voorzien van laptop, foto- en filmcamera was ik – op den duur – volledig self-supporting.
Voordat het zover was, kreeg ik eerst opdrachten in eigen land, met als insteek internationel betrekkingen van grote multinationals. Ik genoot van de omgevingen waarin ik terecht kwam. Ik begon me mijn aanwezigheid als vrouw goed te realiseren. Mijn uitstraling deed kennelijk deuren voor mij openen. Ik genoot ervan en speelde ermee. Mannen waren gevoelig voor mijn opstelling en leverden bijna slaafs hun verhaal. Vaak verhalen die verder dingen dan hetgeen ze aan mannen zouden vertellen. Maar ook mijn vrouwelijke collega’s waren verbaasd over de diepgang van mijn artikelen. Het schrijven ging me makkelijk af. Of dat nu kwam door mijn opleiding of een stukje eigen inzicht, ambities en aangeboren talenten, wist ik niet te doorgronden. Het lukte gewoon.
Ik was in die tijd nog vrij en mening man probeerde me na een interview voor de krant over te halen wat te gaan drinken of eten. Soms deed ik dat, maar meestal sloeg ik dergelijke aanbiedingen af. Bij de krant werd over dat soort ‘uitnodigingen’ vaak negatief gepraat. Het zou al gauw betiteld worden als omkoping en sommigen speculeerden zelfs op sexuele intimidaties om een goed verhaal te kunnen scoren. Tot nu toe had ik me daar niet schuldig aan gemaakt. Dat veranderde pas lang nadat ik al vele maanden in het buitenland ging werken en vaak ook wonen. Ik reisde aanvankelijk van hotel naar hotel en begon steeds vaker te schrijven over corruptie in de grotere industriële sectoren. Dat kwam als bij toeval op mijn pad. In Italië ontdekte ik bij toeval – naar wat later bleek – een groot export schandaal te zijn, doordat ik op een terrasje een te loslippige man tegen een vrouw hoorde zeggen dat de transactie naar Amsterdam weer is gelukt. Hij wreef in zijn handen en zei zacht maar wel verstaanbaar: ‘Dat levert ons weer 3 ton op’. De vrouw vroeg vervolgens of Michiel van der Vaart het geld snel zou overmaken. De man zei gerust stellend dat dat al gebeurd was, omdat de papieren zo mooi in orde waren gemaakt. Hij liet een brede glimlach zien en bestelde een fles champagne. Ik onthield alleen de naam Michiel van der Vaart, noteerde het in een leeg documentje op mijn laptop en besteedde er verder geen aandacht meer aan.
Na wat artikelen over de ontwikkelingen bij Fiat en Alitalia vertrok ik – na een paar dagen thuis te zijn geweest – naar New York, waar ik een serie artikelen zou gaan maken over de ontwikkelingen op NASDAQ, de Amerikaanse technologie fondsen. Met de enorme ontwikkelingen op het gebied van internet leek de ICT sector eindelijk weer een nieuwe bron van inkomsten te hebben ontdekt. Het ware rare tijden. Zwaar verlieslijdende bedrijven deden het uitzonderlijk goed op de beurs en niemand leek zich zorgen te maken over de werkelijke waarde van het bedrijf, zolang deze door analisten maar werd geprezen en er flink in aandelen werd gehandeld.
Eenmaal neergestreken in New York werd ik gegrepen door de dynamiek van die stad. Ik verwaarloosde mijn sociale contacten thuis en leefde vrijwel elke avond met interessante mensen in menig New Yorks restaurant. Ik raakte gewend aan gehaast eten, snel een fooi van 15% afrekenen om het tafeltje dan maar weer snel vrij te maken voor het volgende slachtoffer, die in een half uurtje een vermogen kwijt zou zijn. Zo leefde de Amerikaan in deze stad. Eten was om te overleven, niet om te genieten.
Ik raakte daar zo aan gewend dat ik op mijn spaarzame momenten thuis bijna gek werd van de rust in ons landje. Een hele avond zitten in één restaurant maakte me ongeduldig, zonde van mijn tijd. Mijn lichaamstaal deed mij in de loop van de tijd veel vrienden verliezen. Kennelijk was mijn manier van leven in New York niet meer te verenigen met mijn eigenlijk altijd zo loyale vriendschappen in Nederland.
Mijn vader bracht mij vaak naar Schiphol, we gaven elkaar snel een zoen bij de vertrekhal en hij zei altijd: ‘Pas je goed op jezelf meisje?’ Een kus op zijn wang en weg was ik. Wachtend op mijn vlucht – ik vloog vaak eerste klas – werd ik vaak gegrepen door mijn verdriet. ‘Wat doe ik mijn vrienden aan?’ dacht ik vaak. Maar eenmaal in het vliegtuig dacht ik weer aan mijn ‘nieuwe thuis’. Een prachtig apartement vlakbij Central Park. Helemaal zelf ingericht, echt mijn eigen ding.
Mijn werkgever betaalde mij een behoorlijk loon, ik kon er prima van leven. De huren waren hoog in hartje New York, maar die maandelijkse lasten werden buiten mijn salaris om ook betaald door mijn werkgever.
Toen ik op 16 november 1998 door de redactie werd gebeld, werd ik stil van verbazing. Een redelijk nieuw bedrijf in Californië zou een revolutie gaan ontketenen op het web. Volgens de hoofdredactur zou dat bedrijf in 20 jaar de mensheid volledig onder controle hebben. Goed luisterend naar mijn chef had ik wel een gevoel van ‘Ach, 20 jaar, daarin kan nog zoveel gebeuren en dat duurt nog zo lang.’ Later bleek ik me enorm te vergissen. 20 jaar later was ik een ander mens geworden en kon niet vermoeden dat het bedrijf waar ik op 17 november heen ging voor slechts een eerste interview, mijn leven voorgoed ingrijpend zou veranderen.
‘s Morgens vroeg kwam ik met de taxi aan op John F. Kennedy International Airport voor mijn vlucht naar San Francisco. Ik verwachtte daar een paar dagen te verblijven, dus ik had slechts een klein koffertje mee met de meeste noodzakelijke spulletjes. Ik kon niet vermoeden dat ik bijna een totaal nieuwe gardarobe moest gaan aanschaffen om in totaal bijna vier weken in San Francisco te verblijven. Een heerlijke stad, waar ik uiteindelijk 3 jaar zou blijven wonen, maar dat wist ik toen nog niet.
Op de 18e had ik een afspraak met Glenn Michelson, een niets zeggende kleine man, beetje aan de dikke kant en niet bepaald gekleed als en geslaagd zakenman. We zaten op de bovenste verdieping van het Mariott vlakbij Union Square, middenin de vrij Europees aandoende stad. De sfeer was er vriendelijk, ik bestelde een kop koffie, in die tijd nog smakeloos slap. Glenn deed hetzelfde en begin zijn verhaal: ‘We hebben een zoekmachine ontwikkeld die het gedrag van mensen gaat beïvloeden’. Ik wilde mijn laptop opendoen om een verhaal te gaan maken, maar iets weerhield me daarvan. In knikte en kon slechts ‘o’ uitbrengen. Glenn ging door met zijn verhaal. ‘Het is een initiatief waarmee we de wereld gaan verbeteren. Regeringen hebben geen grip meer op hun burgers, wij gaan dat veranderen. Binnen enkele decennia zijn regeringen verdwenen, heeft de burger de macht en wij de macht over iedereen’. Ik schrok van zijn woorden, maar vooral van de wijze waarop hij overtuiging legde in zijn nauwkeurig gekozen woorden. Ik liet mijn laptop dicht en dacht even aan het feit dat ik geen verhaal zou hebben. Wie zou hier iets mee kunnen doen, het is hooguit een leuke column voor in het weekend. Mijn redcatie was van mij topverhalen gewend over het wel en wee van internationaal opererende bedrijven, geen fatasieverhaaltjes van een ietwat onnozel geklede man. Ik bleek me te vergissen.
Terug in het hotel schaamde ik me een beetje dat ik de afspraak met ‘die man’ een beetje op zijn Amerikaans had afgerond. Dus lekker belangrijk doen, op je horloge kijken en zeggen dat je die middag nog diverse meeting had. Amerikanen spelen dat spelletje gewoon mee en zeggen het dan ook druk te hebben. ‘We bellen’, is meestal de beleefdsheidsvorm om dan snel van elkaar af te komen. Ik had dus die dag geen artikel en verder ook geen enkele afspraak.
‘s Avonds San Francisco in leek me wel wat. Ik belde even voor achten naar mijn ouders in Nederland om ze gerust te stellen. Met 8 uur tijdsverschil trof ik ze net tusen de koffie en de lunch in. Ze leefden in een kleine eengezinswoning in Dordrecht. Mijn vader was bedrijfsleider in een machienfabriek en mijn moeder was vrijwilligster in een ziekenhuis, waar ze veel menselijk leed meemaakte. Haar manier van leven was op en top sociaal, stond altijd klaar voor iedereen. Pas op veel latere leeftijd heb ik de waarde van die eigenschap ontdekt. Maar toen was het al te laat om het tegen haar te zeggen. Ze stierf al op 57 jarige leeftijd aan kanker in hetzelfde ziekenhuis waar zo zoveel mensen zoveel warmte had gegeven.
Peter,
Sorry,vergeet mijn opmerking over de plaats> Ik ben later in je boek begonnen.
Ik kees nu dat het om Frisco gaat.