Pas later in de avond durfde John de stap richting Chrystel te ondernemen. Hij zou wel zien hoe een eventuele ontmoeting zou verlopen. Hij had haar adres vrij makkelijk kunnen opsporen en ook haar telefoonnummer thuis, na wat speurwerk op het web. Zijn besluit om de ‘organisatie’ niet meer te bellen, luchtte hem in zekere zin op.
John tikte het nummer van Chrystel in, het wachten leek lang te duren. ‘Met Chrystel’, klonk het aan de andere zijde van de lijn. ‘Met John’ hoe is het met je?’, was het suntelige begin van het gesprek. Ook Cheryl moest zich even herstellen van de schrik John aan de lijn te hebben. John nam het initiatief: ‘Luister Chrystel, ik sta aan jouw kant, ik heb afscheid genomen van de ‘organisatie’, ik ben in Nederland en wil je graag verder helpen.’ Nog aarzelend zei Cheryl: ‘Met wat? Programma’s op mijn computer zetten?’ Hij begreep haar boosheid wel en moest dus kennelijk eerst een proces van woede doorbreken. ‘Chrystel, ik weet dat ik fouten heb gemaakt, maar ik werkte toen voor de ‘organisatie’, maar wist eigenlijk ook wel dat het niet goed zat. Ik heb je veel te vertellen. Wat ik heb gedaan voor ik bij de ‘organisatie’ kwam. Ik wil open en eerlijk zijn. Wil je naar me luisteren?’ Chrystel twijfelde en zei voorzichtig: ‘Hoe kan ik je vertrouwen, hoe weet ik dat je de waarheid spreekt?’ ‘Dat weet je niet en zal je ook niet weten, wanneer je me niet de gelegenheid geeft alles uit te leggen. Ik ben alles kwijt, vrouw en kinderen, ik had een goede baan, de ‘organisatie’ was een noodgreep, na mijn onstlag als directeur bij BP. Ik heb je zoveel te vertellen.’
‘Nou goed dan, waar ben je nu?’, was de vraag van Cheryl in de veronderstelling dat ze nog even tijd zou hebben om één en ander voor te bereiden en te overleggen met Eduard.
‘Ik sta aan de overkant van jouw huis in een telefooncel in het winkelcentrum.’ Chrystel reageerde woedend: ‘Verdomme John, je stalkt me. Heb je soms andere gedachten? Gaat het je om mij? Want dan bedank ik voor de eer.’ Chrystel schrok van haar eigen woede, ze had John natuurlijk wel zien kijken naar haar voorkomen en was best trots dat John haar aantrekkelijk vond. Ze herstelde zelf haar woede: ‘Sorry, dat had ik niet moeten zeggen.’ John zei kalm maar bewust: ‘Chrystel, je weet dat ik je ook leuk vind, maar daar gaat het nu niet over. Er is gevaar voor onze levens en voor diegenen die je bij je onderzoek hebt betrokken. De ‘organisatie’ is machtig en zelfs nu kan ik je geen garantie geven of je lijn al dan niet wordt afgeluisterd.’ Chrystel dacht na en zei: ‘Geef me een kwartier, ik kom dan naar je toe.’ ‘Goed’, zei John opgelucht.
Cheryl belde met Eduard en vetelde hetgeen in het afgelopen kwartier was gebeurd. ‘Blijf daar, ik kom naar je toe en dan praten we samen met John.’ Chrystel stemde meteen in en wachtte op de komst van Eduard. Ze namen even de tijd om de tactiek van het gesprek te bespreken. Aanvankelijk zou Cheryl het woord doen om het ijs te breken rondom de aanwezigheid van Eduard, maar daarna zou vooral Eduard John inhoudelijk bevragen en zou Chrystel goed op de lichaamstaal van John letten. Die tactiek werd in het journalistieke wereldje wel vaker gebruikt en werkte altijd goed in zaken waar het ging om objectieve waarheidsvinding.
Ze liepen naar buiten, John kwam al aanlopen en was niet echt verbaasd dat Chrystel iemand had meegenomen. De beleefdheden werden wat koeltjes en zakelijk uitgewisseld, vooral Chrystel was niet echt op haar gemak, maar moest zich snel herstellen om juist het ijs te breken. Dit gesprek zou cruciaal zijn om de rol van John te kunnen bepalen voor de komende tijd.
Chrystel besloot op haar charmante wijze het gesprek wat luchtigjes te beginnen: ‘Je hebt wel wat werk moeten verzetten om me hier op te sporen, je lijkt wel een detective.’ Ze lachtte er een beetje bij, maar John kon daar niet uit opmaken of ze hem belachelijk wilde maken. Ze bestelden wat te drinken om de toch wat gespannen sfeer te doorbreken. Na de eerste slokken, Eduard en John een biertje en Chrystel een glas witte wijn, leek de spanning te verdwijnen en begon Eduard met zijn ‘kruisverhoor’. ‘Wanneer ben je bij de ‘organisatie’ gekomen en hoe werd je daarvoor benaderd?’ John vertelde zijn hele levensloop vanaf zijn ontslag bij BP. Er werd aandachtig geluisterd en Chrystel observeerde John. Hij leek vermoeid en het kostte hem de nodige energie om over de scheiding te praten en zijn riante leven, welke hij toen had. Eduard ging het scherper stellen: ‘Dus na je ontslag ben je hacker geworden bij de ‘organisatie’, omdat je er kennelijk goed in was.’ John schaamde zich voor die term en zie voorzichtig: ‘Ik weet er veel van, we staan nog maar net aan het begin, de gemiddelde mens is nu alleen nog achteloos maar zal uiteindelijk machteloos worden, de digitalisering van onze wereld zal de grootste macht worden, ver verheven boven bedrijven, overheden en zelfs legers. De ‘organisatie’ wil de totale controle hebben over de wereld en ze zijn hard op weg dat te bereiken.’ ‘Hoe dan?’, onderbrak Eduard hem. ‘Dat weet ik niet, in de ‘organisatie’ is alles minitieus verdeeld, iedereen heeft zijn taken.’ ‘Wat was jouw taak?’ vulde Chrystel aan. ‘Ik moest vooral interviews begleiden, zoals wij dat samen in London hebben gedaan.’ ‘Waar moest je dan op letten?’, was meteen de volgende vraag. John gespannen naar Chrystel en Eduard: ‘Ik moest patronen in antwoorden van zogenaamde ‘proefpersonen’ in kaart brengen.’ ‘Ja, dat had ik al begrepen’, lachtte Chrystel hem toe. Hij schaamde zich dat hij kennelijk zo doorzichtig had opgetreden. ‘Je hoeft je niet te schamen John, ik had dat deel van het proces al door toen in nog met Glenn in San Francisco een vergelijkbaar rondje interviews deed.’ ‘Wat ben je nu van plan?’, vroeg Eduard. ‘Ik weet het niet, ik ben totaal afhankelijk van hetgeen jullie zouden willen. Ik kan jullie wellicht helpen. We lopen allemaal gevaar, we kunnen elkaar helpen. Zo niet, dan vertrek ik naar Zwitserland, ik heb een open ticket. Maar ook daar zou ik nog niet weten wat ik dan zou kunnen doen. Ik ben in feite op vlucht. Jullie denken dat niet te zijn, maar geloof me, er wordt nu ook door de ‘organisatie’ naar jou uitgekeken Chrystel.’ Ze voelde een koude rilling over haar rug gaan. Ze was wel wat gewend, maar de blik in John’s ogen maakte duidelijk dat er wel degelijk grote gevaren waren, die haar leven zou kunnen bedreigen. Ze wist teveel. ‘Wat weet je van Frank?’, vroeg ze ineens. ‘Ik ken geen Frank, zoals ik zei is alles minitieus opgeknipt in contactpersonen per land, wereldwijd gaat het om honderden mensen, met de top in de omgeving van San Francisco.’ ‘Ja, dat gebouw ken ik’, zei Chrystel koeltjes, terug denkend aan het gesprek met Glenn en de drie niets zeggende mannen. Ze liet niet blijken dat ze inmiddels alle gegevens had van maar liefst veertien mensen die betrokken zouden zijn bij de ‘organisatie’. Dat had ze met Eduard afgesproken, ze zouden niet het achterste van hun tong laten zien.
Ze praatten uren en Chrystel en Eduard kwamen tot de conclusie dat John oprecht een bijdrage wilde leveren in het vervolg van het onderzoek. ‘Waar woon je?’ vroeg Eduard. John gaf het adres van een klein hotelletje in de buurt. ‘Blijf daar maar voorlopig, wij zullen je rekening betalen. Morgen gaan we verder uitzoeken in hoeverre jij iets voor ons zou kunnen doen en of en hoe we je daarvoor zouden kunnen betalen.’ Eduard wilde afronden, dat was merkbaar. Ook Chrystel was moe, het was inmiddels half één in de nacht, de kroeg waar ze zaten ging inmiddels sluiten. Eduard rekende af, toen ze naar buiten liepen namen ze afscheid van elkaar. Chrystel was blij dat ze slechts naar de overkant hoefde te lopen. Eduard liep het eerste stukje met John mee richting zijn hotel.